Harry Mulisch
Harry Mulisch (1927–2010) groeide op in een complex familieverhaal dat zijn werk blijvend zou kleuren. Zijn ouders scheidden vóór de Tweede Wereldoorlog; zijn moeder verhuisde later naar Amsterdam, terwijl Mulisch in Nederland bleef. Hij begon te schrijven zonder uitgesproken literaire vorming en publiceerde in 1946 zijn eerste verhaal, De kamer. Met zijn debuutroman Archibald Strohalm (1951), bekroond met de Reina Prinsen Geerligs-prijs, vestigde hij zich als schrijver. In de daaropvolgende jaren ontwikkelde hij een oeuvre waarin mythologische, magische en psychologische motieven samengaan met historische en morele vragen. Vanaf Het stenen bruidsbed (1959) en De zaak 40/61 (1962) kwam de historische werkelijkheid nadrukkelijker op de voorgrond.
Mulisch’ latere werk kenmerkt zich door formele vrijheid en intellectuele ambitie. Romans als De verteller verteld, Twee vrouwen en De ontdekking van de hemel tonen een schrijver die spelen met vorm verbindt aan grote ideeën over schuld, macht en schepping. De ontdekking van de hemel groeide uit tot zijn meest gelezen roman en werd in 2007 verkozen tot beste Nederlandse roman aller tijden. Mulisch ontving talrijke onderscheidingen, waaronder de Constantijn Huygens-prijs, de P.C. Hooft-prijs en de Prijs van de Nederlandse Letteren. Zijn werk werd wereldwijd vertaald; De Aanslag verscheen in twintig talen. Hij overleed op 30 oktober 2010, maar zijn werk blijft een vast ijkpunt in de Nederlandse literatuur.

